
In de zomer van 1767 werd Rosmalen getroffen door een van de zwaarste natuurrampen uit zijn geschiedenis. Op 20 juli 1767 (soms worden in oude bronnen door kalender- of overschrijffouten andere data genoemd) trok een uitzonderlijk zwaar onweer over Rosmalen en de omliggende dorpen in de Meierij van ’s-Hertogenbosch.
Wat gebeurde er?
Volgens eigentijdse beschrijvingen werd het dorp getroffen door:
- hevige onweersbuien,
- blikseminslagen,
- zeer grote hagelstenen,
- en stormwinden met orkaankracht.
De gevolgen waren enorm:
- 2 dodelijke slachtoffers;
- het koren op de akkers werd volledig verwoest;
- ongeveer 300 bomen werden ontworteld;
- tussen 27 en 80 huizen werden vernield of zwaar beschadigd (afhankelijk van de bron).
De bekendste slachtoffers waren:
- een kind van Simon van de Putten;
- Jacob Toonen Heijmans, een man van rond de zeventig jaar.
De koster noteerde in het begraafboek dat zij “onder het huis” en “onder de schuur” om het leven kwamen.
Waarom verschillen de aantallen?
Historische bronnen noemen verschillende cijfers:
| Bron | Vernielde huizen |
|---|---|
| Steph. Hanewinkel (19e eeuw) | 27 vernield, 49 beschadigd |
| Lokale overlevering | Tot 80 huizen vernield |
Dat verschil komt vaker voor in oude verslagen. Sommige auteurs telden alleen volledig ingestorte woningen, anderen rekenden ook zwaar beschadigde gebouwen mee.
Hulp van de Staten-Generaal
De schade was zo groot dat de Staten-Generaal financiële steun verleenden:
- 6.000 gulden voor de zwaarst getroffen inwoners;
- 1.000 gulden belastingkwijtschelding.
Voor een klein agrarisch dorp was dit een zeer aanzienlijk bedrag.
Rosmalen voor de 20e eeuw: een kwetsbaar dorp
Rosmalen heeft eeuwenlang veel te verduren:
- regelmatige overstromingen door de Maas en de Beerse Overlaat;
- veeziekten;
- droogte en misoogsten;
- epidemieën.
In de publicatie Rosmalia (1990-1) wordt dit erover gezegd:
Branden, besmettelijke ziekten, vagebonden, oorlogsgeweld, overstromingen, storm- en hagelrampen hebben Rosmalen door de eeuwen heen geplaagd. Na de waterramp van 1795 durven onze schepenen zelfs te schrijven: "En dezen ramp heeft den totalen ondergang van Rosmalen volkomen daargesteld en den noot in deze gemeente allom doen opgaan". De meeste mensen waren "in eenen reddeloozen en rampspoedigen staat van armoede en ellende" terechtgekomen.
Proberen we iets van die ellende op een rijtje te zetten.
In 1719 verklaren de schepenen dat "door de extraordinaire drooghte en hitte in den dorpen van Rosmalen, als meest bestaande in seer schrale landen, gantsch weijnig ende bijna geen boekweijt, ertten gewasschen is geweest". Alles werd volgens de schepenen twee tot drie keer gezaaid. Ook van de "naegewasschen", zoals groen, spurrie en knollen was niet veel terechtgekomen. Daar kwam nog bij dat er onder het vee een besmettelijke ziekte uitbrak. In totaal stierven 416 beesten. Bij de meeste landbouwers werd genoteerd dat zij "alsoo alle sijne beesten" verloren hadden. Logisch "dat de meeste van onse ingeseetenen in onmaght sijn geraakt om hunnen soberen cost te winnen".
Het jaar daarop, 1720 dus, kreeg men last van hoog water, waardoor "meest alle broecklanden, hoij- als weijlanden onder water bennen, waardoor de welijnige overgebleven runderbeesten niet gewaijt of gehoeijd en connen werden."
In 1723 sloeg de droogte andermaal toe. Schepenen uit Berlicum en Nuland verklaren "dat de inwoners van Rosmalen het ongeluk hadden in het jaar 1723 door de extraordinaire en langduurende droogte het gras van hunne hooge landerijen op de velde is verdort en de besaijde teullanden seer weijnig vrugten hebben voortgebracht". In 1724 werd door zeer zwaar onweer en "hagelslagh" zeer veel koren en graan "ten velde nedergeslagen ende verdorven".
In 1729 verklaren de schepenen van Nuland dat "het hen nog seer wel bewust is en nog in verse geheugen is dat in den jaaren seventien hondert negen en twintig veele hooij- en weijlanden in den polder off dorpen van Roosmaaien geleegen door de menigvuldige regen- en quelwaateren soodanig sijn geinnundeert dat van sommige het gras daarop gewasschen niet gemaaijt off tot hooij heeft connen versaameit worden".
In 1740 ging Rosmalen gebukt onder een strenge winter. De Nulandse pastoor schreef dat "dit jaar van 1740 is sulcken stercken winter geweest, datter vele mensen van coude sijn gestorven en van de wilde dieren sijn verscheurt". Volgens de Nulandse herder heeft die winter geduurd "bijnaa tot de maant van Junij en in de maant van Maij isser sulcken honger en gebreck geweest onder de beesten, datter veele beesten van honger sijn gestorven". Nauwelijks bekomen van dit onheil kwam het hoge water andermaal opzetten. Volgens de Nulandse pastoor was het water zo hoog "dat het den outsten van de gemeijnte niet en geheugt dat het ooijt soo hoogh geweest is". In Rosmalen stortte op 20 december 1740 ook nog de molen neer door de harde wind. Veel pech voor molenaar Jan Poorters, want de molen "heeft stil moeten staan of onbruijckbaar geweest tot den eersten Junij 1700 een en veertig".
Overstromingen ook in 1744 en 1751. Het hoge water, ijs en storm waren in 1757 een ware ramp voor Rosmalen in het algemeen en voor Catharina Heijmans in het bijzonder. Huis en goederen raakte zij kwijt. "Ja selfs geen bed om daar op te konnen slaapen, moetende sig tans op eenig strooij behelpen".
In 1767 was Rosmalen een waar rampgebied. Een orkaan, onweer en hagel verpletterden het koren op de velden, rukten bomen uit de grond en verwoestten een groot aantal huizen. Twee Rosmalenaren kwamen om. De doodgraver schreef: "1767 Julius 23: Het kint van Zijmen van de Putten, genaamt zijnde.... 's Maandags den 20' onder het huijs doodgevallen; door het droevig onweer zijnde toen wel 80 huijsen omvergewaaijt en een menigte boomen uit den grond gewaaijt. 23 Julius: Jacob Toonen Heijmans, zijnde den 20 dito onder zijn schuur doodgevonden door het weer als boven. Het was een man van in de zeventig jaren." De schade aan landerijen, veldvruchten en dergelijke bedroeg ruim $ 41.000,-. De schade aan de kerk, huizen en schuren bedroeg ruim $ 13.000,-.
De ellende bleef zich opstapelen. Hoog water opnieuw in 1795. De overleden dominee Adrianus Laurentius werd met een slee over het ijs naar de Lambertuskerk gebracht. Die kerk stond gedeeltelijk vol met paarden en beesten omdat het dorp "ingeloopen" is.
In 1799 was het opnieuw goed mis in Rosmalen. Een watervloed, storm, ijs en een vreselijk onweer teisterden opnieuw ons dorp. Maar liefst 15 mensen verongelukten tijdens dit noodweer. "Vijf in een huijzing gestaan hebbende op de Boterweg te Hintham, welke 's nachts door een eijsschol met de ongelukkige bewoneren, een weduwe en hare vijf jonge kinderen, benevens haren broeder, ingestort wier.... en voorts in een huijsinge op den dijk bij 't zogenaamde Hoogveld alhier, waarin drie huijsgezinnen de wijk genomen hadden en te zamen elf menschen gevlugt waren, welk door de eijsschol opgenoomen en geheel verwoest weerd, terwijl negen derzelver onder de puijnhopen in de golven wierden begraven." Volgens de schepenen kwamen 56 beesten om en werden 11 huizen weggespoeld.
Een oud gezegde luidde:
“Rosmalen is een ellendig land, ’s winters in ’t water en ’s zomers in het zand.”
De storm van 1767 bevestigde die reputatie.

Gevolgen voor de bevolking
Omdat Rosmalen toen vrijwel volledig afhankelijk was van landbouw, had de ramp verstrekkende gevolgen:
- verlies van de oogst betekende voedseltekorten;
- boeren verloren inkomsten;
- woningen en schuren moesten worden herbouwd;
- gezinnen raakten in financiële nood.
Waarschijnlijk duurde het jaren voordat veel inwoners volledig hersteld waren.
Omgeving
Ook omliggende gebieden in de Meierij, waaronder delen van ‘s-Hertogenbosch en andere dorpen, kregen te maken met zwaar noodweer, maar Rosmalen wordt in de historische bronnen expliciet genoemd als een van de zwaarst getroffen plaatsen.
Historische betekenis
De storm van 1767 geldt als een van de meest dramatische natuurrampen in de geschiedenis van Rosmalen. Tot op heden wordt deze gebeurtenis genoemd in lokale geschiedschrijving en heemkundige publicaties als voorbeeld van de kwetsbaarheid van het dorp voor extreme weersomstandigheden.
Voor de familie Van den Bogaert zou verlies van huis en haard wel eens de aanzet hebben kunnen zijn om hun heil te gaan zoeken in het veel welvarender westen van Nederland. En welke stad had een grotere reputatie in de 18e eeuw dan Delft!
Bron: ChatGPT met vermelding van overige bronnen
- https://www.wijkmolenhoek.nl/wijkinfo/geschiednis-2/geschiedenis-rosmalen/
- https://erfgoedbrabantverhalen.nl/erfgoedcollecties/?diw-id=brabantcloud_brabant-collectie_6264637
- https://erfgoedbrabantverhalen.nl/erfgoedcollecties/?diw-id=brabantcloud_brabant-collectie_660347
- https://www.bossche-encyclopedie.nl/publicaties/rosmalla/1990-1.pdf
